Isaac Albéniz, compositie
Isaac Albéniz werd op 29 mei 1860 geboren in het Catalaanse plaatsje Camprodón. Al op zijn vierde gaf hij zijn eerste openbare optreden. In het politiek turbulente jaar 1868 verhuisde zijn familie naar Madrid waar Albéniz ging studeren aan het Real Conservatorio. Hij vond de praktijk echter interessanter dan zijn studie en begon naar eigen zeggen van huis weg te lopen op zoek naar avontuur. Zo zou hij op twaalfjarige leeftijd als verstekeling vanuit Cádiz naar Zuid-Amerika zijn gevaren, waar hij veel succes had als concertpianist. In werkelijkheid heeft hij daar pas in 1875 voor het eerst opgetreden, meereizend met zijn vader die als douanebeambte was gestationeerd op Cuba. Niet lang daarna keerde hij terug naar Europa en schreef zich in als student aan het conservatorium van Leipzig. Na minder dan twee maanden brak hij deze studie weer af, mogelijk door gebrek aan geld, discipline en beheersing van de Duitse taal.
In 1876 ontving hij uit naam van koning Alfonso XII een studiebeurs om aan het Brusselse conservatorium te gaan studeren, onder andere bij Louis Brassin, dit keer wel met succes. Zijn grootste droom was evenwel om les te krijgen van Franz Liszt. Na zijn studie reisde hij daartoe op de bonnefooi naar Boedapest. Helaas voor hem bevond Liszt zich op dat moment in Weimar. Dat weerhield hem er echter niet van in zijn dagboek melding te maken van verschillende succesvolle ontmoetingen met de maestro, een onwaarheid die veelvuldig is overgenomen door latere biografen. Terug in Spanje gaf hij de daarop volgende jaren concerten in de belangrijkste Spaanse steden en schreef hij zijn eerste theatrale muziek.
Het jaar 1883 werd een keerpunt in het leven van Albéniz. Hij kwam toen in aanraking met componist en musicoloog Felipe Pedrell die Albéniz stimuleerde Spaanse folkloristische elementen te verwerken in zijn composities, tot dan toe vooral in courante Europese stijl geschreven werkjes. In datzelfde jaar trouwde hij bovendien een van zijn leerlingen, Rosina Jordana, met wie hij drie kinderen zou krijgen.
Jaren van voorspoed en een internationale carrière als concertpianist volgden. In de negentiger jaren verbleef Albéniz voornamelijk in Londen, waar hij schreef voor muziektheater en in aanraking kwam met de Engelse bankier Francis Money-Coutts. Hun ontmoeting mondde uit in een overeenkomst waarbij Albéniz voortaan exclusief Coutts' libretti op muziek zou zetten, in ruil voor financiële zekerheid. Deze relatie is vaak bekritiseerd en zelfs vergeleken met een Faust-pact. Toch was hun verhouding gebaseerd op een hechte vriendschap, al waren hun gezamenlijke ondernemingen weinig succesvol, uitgezonderd misschien de opera Pepita Jiménez. Uiteindelijk verhuisde Albéniz naar Parijs en mengde zich onder componisten als Chausson, Fauré en Dukas. Hun grote voorbeeld, César Franck, had veel invloed op de ontwikkeling van zijn muziek, met name qua raffinement en het vermogen te kleuren.
Na 1900 verslechterde zijn gezondheid. Een debacle rond het schrijven van een operatrilogie, eveneens op teksten van Coutts, bracht hem ertoe zich weer volledig te wijden aan het schrijven van pianomuziek. Vanaf eind 1905 tot begin 1908 componeerde hij afwisselend in Parijs en Nice de 12 nouvelles 'impressions', zoals hij Iberia aanvankelijk noemde. Het werd zijn zwanenzang, want kort na de voltooiing ervan stierf Albéniz op 18 mei 1909 in Cambo-les-Bains in de Franse Pyreneeën.



